Wettelijke verplichtingen welzijn op het werk voor KMO’s
Deze pagina geeft een overzicht van wat een KMO in België wettelijk in orde moet hebben rond welzijn op het werk. De focus ligt op basisverplichtingen, kern-documenten en wat in de praktijk verwacht wordt bij controle of inspectie.
Voor wie?
Zaakvoerders en leidinggevenden in KMO’s die willen weten welke verplichtingen gelden, wat minimaal in orde moet zijn en hoe inspecties naar welzijn op het werk kijken.
1. Wat wordt bedoeld met welzijn op het werk?
Welzijn op het werk is een breed wettelijk begrip dat verder gaat dan alleen veiligheid of arbeidsongevallen. Het omvat alle maatregelen die nodig zijn om werknemers veilig, gezond en duurzaam te laten werken.
De basis hiervoor ligt in de welzijnswetgeving en de Codex Welzijn op het Werk.
2. Geldt de welzijnswetgeving ook voor kleine KMO’s?
Ja. De welzijnswetgeving geldt vanaf 1 werknemer, ongeacht sector.
Wat wél verschilt volgens grootte en risico’s is de complexiteit en de mate van uitwerking. Maar: elke KMO moet een basispreventiebeleid hebben.
3. De 7 welzijnsdomeinen uitgelegd
De wet vertrekt van 7 domeinen die samen het welzijn op het werk bepalen:
-
Veiligheid (machines, vallen, verkeer, elektriciteit, brand…)
-
Bescherming van de gezondheid (blootstellingen, fysieke belasting, beroepsziekten)
-
Psychosociale aspecten (stress, werkdruk, conflicten, ongewenst gedrag)
-
Ergonomie (tillen, houding, repetitieve bewegingen)
-
Arbeidshygiëne (stof, lawaai, chemicaliën, ventilatie)
-
Verfraaiing van de werkplaatsen (orde, netheid, verlichting, comfort)
-
Milieu op het werk (opslag, afval, emissies op de werkplek)
Praktisch: Niet elk domein vraagt evenveel aandacht. Behandel vooral de domeinen die relevant zijn voor jouw activiteiten en risico’s.
Wil je weten hoe je dit praktisch aanpakt in jouw bedrijf?
Bekijk ook: Preventieadvies in een KMO – praktische aanpak
4. Welke documenten zijn wettelijk verplicht?
De invulling hangt af van sector en risico’s. In de praktijk verwacht men in een KMO minstens een logische basis: risicoanalyse + plannen + aantoonbare opvolging.
4.1 Risicoanalyse​
​
Brengt gevaren in kaart en beoordeelt risico’s. Vormt de basis van preventiemaatregelen. Moet aansluiten bij de activiteiten en actueel blijven.
4.2 Globaal Preventieplan (GPP)
​
Beschrijft het preventiebeleid op middellange termijn (vaak 5 jaar), gebaseerd op de risicoanalyse, met doelstellingen en prioriteiten.
4.3 Jaaractieplan (JAP)
Zet het GPP om naar concrete acties voor het lopende jaar: wat, wie, tegen wanneer.
4.4 Aanvullende registraties
​
Afhankelijk van je activiteiten: ongevallenregister, opleidingen/instructies, controles/keuringen, PBM-beleid en opvolging.
Niet elk document is even uitgebreid in een kleine KMO, maar wat van toepassing is, moet aantoonbaar en logisch opgebouwd zijn.
5. Preventieadviseur: wie neemt die rol op?
Elke onderneming moet een interne preventieorganisatie hebben. In veel KMO’s neemt de zaakvoerder die rol (gedeeltelijk) op. Dat is wettelijk mogelijk, maar de verantwoordelijkheid en opvolging blijven bestaan.
6. Wat wordt gecontroleerd bij een inspectie?
Bij een inspectie wordt meestal gekeken naar:
-
bestaat er een risicoanalyse?
-
is er een jaaractieplan (JAP)?
-
wie is preventieadviseur?
-
worden maatregelen toegepast?
-
zijn werknemers geïnformeerd en opgeleid?
In de praktijk: de inspecteur verwacht geen perfect dossier, maar wel logica, samenhang en opvolging.
7. Veelvoorkomende misverstanden bij KMO’s
-
“Wij zijn te klein, dit geldt niet voor ons.”
-
“We hebben ooit iets gedownload, dat zal wel volstaan.”
-
“Zolang er geen ongeval is, is alles in orde.”
-
“De externe dienst doet dat wel.”
Dit zijn klassieke oorzaken van tekortkomingen bij controle of inspectie: documenten zijn te algemeen, verouderd of niet toegepast.
Samengevat
Elke KMO moet welzijn op het werk structureel aanpakken: risico’s in kaart brengen, plannen opstellen en opvolgen en kunnen aantonen dat preventie in de praktijk leeft.​


